Projecten winnaars Von Quiccheberg-prijs

Ester Thwaite (winnaar 2008)
In haar scriptie Conscience and commerce heeft Ester zich op een soms bijna poëtische wijze afgevraagd wat de essentie is van musea (en erfgoedinstellingen in het algemeen) in termen van hun bijdrage aan de ontwikkeling van de samenleving. Zij onderzocht de betekenis van beroepsethiek in het licht van de toenemende druk op erfgoedinstellingen om zich commerciëler op te stellen. In haar beschouwing maakte Ester gebruik van de analysemodellen die tijdens de opleiding zijn aangereikt, maar nooit op een slaafse manier. Zij toonde aan de modellen op een eigen wijze “geïnternaliseerd” te hebben. Aan het einde van haar betoog komt zij met een interessant eigen model. In het model analyseert zij de rol van het individu, bezoeker en professional, bij het bepalen van ethische grenzen. In dit model komt tot uiting dat Ester zich op een professioneel niveau rekenschap geeft van de driehoeksverhouding tussen praktijk, theorie en ethiek – een driehoeksverhouding die de basis is van museologie in het algemeen en de Reinwardt-visie op museologie in het bijzonder.

Marije Groen (winnaar 2007)
In haar scriptie Een museum met een MISSIE onderzoekt Marije Groen de betekenis van een geactualiseerde missie voor een museum. Geen aspect van het thema blijft onbesproken: verschillende typen van missies passeren de revue en de verschillende betekenissen worden nauwgezet een voor een beschreven. Het had makkelijk een management-scriptie kunnen worden. De verdienste van Marije is dat zij - zonder de managementaspecten te verwaarlozen -  het thema nadrukkelijk in een museologisch perspectief heeft geplaatst. Die nadrukkelijkheid is niet geforceerd. Marije laat zien dat zij zich het museologische denken geheel eigen heeft gemaakt. Een groot schrijfster is zij niet, maar wel iemand die met een natuurlijke vanzelfsprekendheid museologische uitgangspunten kan hanteren. In haar scriptie brengt Marije de museologie in het institutionele hart van het museum, namelijk daar waar het museum zijn identiteit, zijn specifieke bijdrage aan de ontwikkeling aan de samenleving, onder woorden brengt: de missie. En daar hoort de museologie ook te zijn.

Irina Leifer (winnaar 2006)
De scriptie De tijd van de dialoog onderzoekt de actieve rol van het publiek bij het tot stand komen van kunsttentoonstellingen. Een serie onderzoekende tentoonstellingen die van 2003 in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem worden gemaakt, is aanleiding geweest voor een bredere reflectie op publieksparticipatie. Irina Leifer heeft zich op een bewonderenswaardige manier de complexe theorie en praktijk eigen gemaakt, met een scherp oog voor de relatie tussen beide. Haar samenvatting van de ontwikkelingen in de presentatie van eigentijdse kunst van de afgelopen 100 jaar is voorbeeldig. Het is een waardige opmaat voor de kern van het theoretische onderzoek: de toepassing van de ideeën van de Russische pedagoog en psycholoog Lev Vygotsky. Irina’s samenvatting van diens concept van de Zone der Naaste Ontwikkeling is geïnspireerd en inspirerend. Het is niet bij theorie gebleven, gelijk opgaand met de theorie heeft Irina ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van een experimentele tentoonstelling in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem. Haar rol in het tentoonstellingsteam laat op een voorbeeldige wijze zien hoe een Reinwardt-student een bijdrage kan leveren aan de theorie en praktijk van het museumwerk, een bijdrage die laat zien dat theoretische reflectie een hoeksteen is van professionaliteit.

Lisa van Beek (winnaar 2005)
CONTEXT is een onderzoek naar de rol van kunstmusea als bemiddelaar bij de betekenisgeving aan de hedendaagse, geëngageerde kunst en hoe tekst die rol kan ondersteunen. Bij dit onderzoek heeft Lisa van Beek het zich niet gemakkelijk gemaakt. Het onderzoek ontstond, zoals zij zelf schrijft, vanuit de behoefte tot verdere verdieping van de stof die tijdens haar studie op de Reinwardt Academie werd aangeboden. De scriptie is dan ook niet alleen een onderzoek naar de rol van kunstmusea als bemiddelaar bij voornoemde betekenisgeving, maar ook een persoonlijke zoektocht naar de betekenisgeving van de theoretische museologie. Als weinig andere studenten heeft Lisa van Beek de modellen van de colleges Theoretische Museologie een voor een gewikt en gewogen en onderzocht op hun bruikbaarheid. Pas als zij zich de verschillende dimensies van een model eigen had gemaakt, werd het model toegepast in de tekst. Hierdoor is de tekst geen schoolse aaneenschakeling van geleende inzichten geworden, maar een hoogst persoonlijke zoektocht naar waar het werkelijk om gaat in een hedendaags (kunst)museum.

Rachida Chaouqui (winnaar 2004)
Een van de interessantste discussies binnen de museologie betreft de herdefiniëring van het begrip “erfgoed”. Naar mate de (theoretische) museologie minder instituutsgebonden wordt, verbreedt zich het museologisch perspectief op wat erfgoed is. Dit komt onder andere ook tot uiting in het nieuwe curriculum van de Reinwardt Academie. De door Rachida Chaouqui geschreven scriptie over immaterieel cultureel erfgoed is dus in velerlei opzichten relevant. Haar onderzoek leidde niet tot heldere conclusies, laat staan aanbevelingen. Gezien de stand van zaken kan dat ook niet. Er is daarvoor teveel in beweging, op te veel fronten. De waarde van het werk van Rachida Chaouqui ligt in haar vermogen om de complexiteit van de materie, en de dynamiek van de huidige discussie invoelbaar te maken. Ongemerkt wordt de lezer meegezogen in de gedachtenstroom, een gedachtenstroom die de lezer ook na pagina 60 zal blijven fascineren.

Maaike Haas (winnaar 2003)
“Er zijn zeven dagen, er is een database, een laptop, een MusIP-medewerker, een museum en een collectieregistratie”. Dat is de omschrijving die in de inleiding van de scriptie wordt gegeven van de praktijk van het Museum Inventarisatie Project in Noord-Holland. Dat daar nog wel wat meer aan vast zit wordt in de navolgende hoofdstukken duidelijk. Heel precies, met grote kennis van het onderwerp en met veel inlevingsvermogen, beschrijft Maaike Haas de mogelijkheden en onmogelijkheden van het project. Daarbij blijven theorie en praktijk voorbeeldig in evenwicht. In de laatste alinea van het laatste hoofdstuk wordt geconcludeerd dat er meer duidelijkheid is ontstaan over het nut van MusIP per instelling. Dat is voor een belangrijk deel, zo niet uitsluitend, te danken aan het werk van Maaike Haas. De scriptie biedt echter meer: het is een ideale beschrijving van een van de belangrijkste nationale initiatieven van de laatste jaren op weg naar een verdere professionalisering van het collectiebeheer in Nederlandse musea.

Nathalie Alblas (winnaar 2002)
Het schrijven van een collectieplan, dan wel een collectiemanagementplan, is inmiddels een van de standaard eindexamenprojecten van de Reinwardt Academie. De door het Instituut Collectie Nederland en de Stichting Landelijk Contact van Museumconsulenten uitgegeven Handreiking voor het schrijven van een collectieplan biedt een belangrijke houvast. Kortom, het schrijven van zo’n plan is geen avontuur meer, zeker niet voor de huidige generatie Reinwardt studenten. Nathalie Alblas weet zich echter op een bijzondere manier te onderscheiden. Zij heeft zich goed rekenschap gegeven van wat een collectieplan is en wat zo’n plan betekent voor het museum. Haar plan voor de Deelcollectie Drukwerk Tweede Wereldoorlog moet namelijk dienen als pilot voor het samenstellen van een collectieplan voor de gehele collectie van het Museon. Het is een hecht doortimmerd verhaal geworden, waarin op iedere bladzijde een professionele museologische wijze van denken doorklinkt. Een museologische manier van denken die zij ook met verve binnen het museum verdedigd heeft.

Jennifer Sanders (winnaar 2001)
Het leek een redelijk overzichtelijke opdracht: het schrijven van een hoofdstuk over het behoudsplan voor de vernieuwde syllabus 'Preventieve Conservering' van de Stichting Landelijk Contact van Museumconsulenten. Al spoedig bleek echter dat de opdracht minder eenvoudig was dan gedacht. Er is in Nederland geen eenduidigheid wat een behoudsplan precies inhoudt, terwijl de bestaande behoudsplannen worden gekenmerkt door een gebrek aan formele structuur. Jennifer Sanders heeft zich met enthousiasme en doorzettingsvermogen tot taak gesteld een en ander fundamenteel te doordenken op basis van nieuwe visies op professionaliteit en buitenlandse ervaringen. Mede in het licht van het nieuwe curriculum van de Reinwardt Academie, waarin museologie en managementvaardigheden de twee "rode draad vakken" zijn, is haar geïntegreerde benadering van het begrip collectiemanagement van grote waarde. Haar voorstel om te spreken van een Conserverings Management Plan in plaats van een Behoudsplan is meer dan een modieuze truc. De nieuwe inhoud waar de nieuwe term voor staat anticipeert op, maar stelt tevens eisen aan, nieuwe professionaliteit. Het is duidelijk dat Jennifer Sanders zich door middel van haar scriptie heeft gemanifesteerd als exponent van deze nieuwe professionaliteit.

Vincent van de Kerk (winnaar 2000)
Het eindexamen Museumcommunicatie bestaat uit twee delen. In geval van Vincent van de Kerk betrof dat een beleidsgeoriënteerd educatief project en een zeer praktisch project op het gebied van sponsoring en fondswerving. Het verwerken van (theoretisch) museologische noties in een beleidsgeoriënteerd project ligt voor de hand, zeker als het een eindexamenproject betreft van de Reinwardt Academie. Het verwerken van diezelfde noties in een praktisch sponsoringproject ligt misschien wat minder voor de hand. Het is de verdienste van Vincent van de Kerk dat hij in beide projecten op een natuurlijke wijze de (theoretische) museologie heeft verwerkt. In het project betreffende de Stelling van Amsterdam werd het museologische aspect nog eens extra naar voren gebracht in een apart hoofdstuk in de scriptie. Bij het project betreffende het Fries Museum bleek dat in de scriptie maar vooral ook tijdens het examengesprek, het museologische aspect op een organische wijze deel uit maakte van zowel de visie op het werk als de praktische werkzaamheden. In het gemak waarmee Vincent van de Kerk omgaat met de hem tijdens de studie aangereikte theoretische overwegingen toont zich zijn ver gevorderde professionaliteit.

Erwin Voorhaar (winnaar 1999)
Het onderhavige project behelst het uitwerken van het selectie- en afstotingsbeleid van het Filmmuseum (Amsterdam) met betrekking tot de apparatuurcollectie. Het project had een theoretisch en een praktisch aspect. Ten aanzien van beide aspecten is Erwin Voorhaar buitengewoon zorgvuldig te werk gegaan. Alle relevante (Nederlandstalige) publicaties op het gebied van selectie en afstoting zijn kritisch bestudeerd en vergeleken met de praktijk van het museum. Daarbij werd niet verhuld dat de auteur er op één punt een eigen "dissidente" mening op na houdt. Echter, met de zelfde precisie waarmee de theorie wordt vergeleken met de praktijk van het museum, wordt de afwijkende mening overtuigend onderbouwd.
Het is zeker geen spectaculair project, maar wel een voorbeeldig werkstuk over een actueel en veelbesproken onderwerp. Het laat zien dat theoretische reflectie een verdieping kan geven aan de museale praktijk, maar dat de theorie geen statisch geheel kan (en mag) zijn.

Stefanie Büchler (winnaar 1998)
De afsluiting van de studierichting Museumcommunicatie bestaat uit twee onderdelen: een educatief project en een tentoonstellingsproject. In geval van Stefanie Büchler trok in het bijzonder haar educatieve project de aandacht van de eindexamencommissie. Het was voorwaar geen eenvoudige opdracht: het ontwerpen van educatief materiaal voor het voormalige concentratiekamp Neuengamme (bij Hamburg), ingericht als Gedenkstätte in 1965. Er komen in Neuengamme veel (Duitse) schoolgroepen, die in het algemeen een rondleiding over het terrein krijgen. Er was behoefte aan schriftelijk materiaal waarmee de leerlingen zelf aan de slag kunnen. De uitwerking en verantwoording van het door Stefanie Büchler ontwikkelde materiaal ("Spuren auf dem Gelände") was van zeer hoge kwaliteit. Het bijzondere museologische aspect was het zoeken naar aanknopingspunten in het, nadien zeer veranderde, terrein om een stuk problematisch verleden dichter te brengen bij een moeilijke doelgroep. Het product zelf en de wijze waarop Stefanie Büchler zich verantwoordde getuigde van een zeldzame balans tussen distantie en betrokkenheid. Hoewel van geheel andere aard, was ook de bijdrage aan het tentoonstellingsproject ("Uit een goed milieu. Milieuvriendelijke ontwerpen voor het interieur", Ambachts- en Baljuwhuis te Voorschoten) van hoge kwaliteit. In beide projecten heeft Stefanie Büchler laten zien dat zij zich heeft ontwikkeld tot een veelzijdige museologe, met oog voor het detail en een goed inlevingsvermogen, zowel naar het onderwerp toe, als naar de bezoekers.

Chanou Stolk (winnaar 1997)
In zeker opzicht betrof het project (Naar een nieuwe syllabus) een voor een Reinwardt eindexamen oneigenlijke opdracht, namelijk het herschrijven van de Syllabus Basiscursus Registratie en Documentatie in opdracht van het Landelijk Contact van Museumconsulenten. Eindexamenprojecten Beheer & Behoud richten zich doorgaans op het omgaan met collecties. En, zo kan men zich afvragen, zou een syllabus niet beter geschreven kunnen worden door iemand die doorkneed is in de museale praktijk? Chanou Stolk heeft zich echter bijzonder consciëntieus van haar taak gekweten. De nieuwe tekst (helaas slechts de hoofdstukken 1, 2 en 3) is bij wijze van spreken tot de laatste komma en punt doordacht, mede op basis van gebruikersonderzoek. Het is zeker geen spectaculair project, maar wel een voorbeeldig werkstuk wat betreft de implementatie van de (theoretisch) museologische uitgangspunten zoals die aan de Reinwardt Academie gedoceerd worden. Aan de uitgangspunten werd met volharding en met tact vastgehouden. Het brengt de museologie daar waar zij moet zijn: in een basiscursus.

Sandy Eenhuizen (winnaar 1996)
Het eindexamenproject van Sandy Eenhuizen (Behoud van kerkelijk gebrandschilderd glas met behulp van een inspectiekaart) betreft het ontwikkelen van een registratie-kaart waarop de conditie van gebrandschilderde ramen kan worden vastgelegd en gevolgd. De scriptie geeft een gedetailleerde beschouwing over de vervaardiging en de functie van gebrandschilderde ramen. Hierbij is het model "het object als informatiedrager" in al zijn diachrone en synchrone dimensies op een doordachte manier gebruikt zonder te vervallen in een schoolse navolging van gebruikt lesmateriaal. In het bijzonder betreft het de hoofdstukken 3 en 4 waarin de uitwerking van het aspect functie en betekenis een waardevolle aanvulling geeft op de in de praktijk gehanteerde standaardbenadering.